Ontdekking in de zin van artikel 7:929 lid 1 BW;
het aanvangsmoment van de tweemaandentermijn bij particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
VAST 2024 / P-010
1 maart 2024
Artikel 7:928 lid 1 BW bepaalt dat de verzekeringnemer verplicht is om voor het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen. En waarvan naar hij weet of behoort te begrijpen de beslissing van de verzekeraar of en zo ja op welke voorwaarden hij de verzekering zou willen sluiten afhangt of kan afhangen. In de situatie dat de verzekeringnemer niet aan deze mededelingsplicht heeft voldaan is geen uitkering verschuldigd, indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten. Centraal bij dit alles staat dat de verzekeraar die ontdekt dat aan de in artikel 7:928 BW omschreven mededelingsplicht niet is voldaan, de gevolgen daarvan slechts kan inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking wijst op de niet nakoming daarvan onder vermelding van de mogelijke gevolgen. De vraag rijst op welk moment sprake is van de aldus bedoelde ‘ontdekking’. De Hoge Raad heeft zich recent hierover uitgelaten in zijn arrest van 7 juli 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1050, NJ 2023/301 m.nt. N. van Tiggele-van der Velde). En, zij het meer zijdelings, in zijn arrest van 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:178, NJ 2021/287 m.nt. N. van Tiggele-van der Velde).